De reizende filosofe #4 – Het verplichte nummertje

Door: Mirjam Eeken

Het is een zondagavond wanneer ik voor het eerst de corner store vlakbij mijn huis binnenloop. Ze verkopen er alleen maar chips en alcohol, maar nu ik al de halve avond tevergeefs bezig ben om mijn haperende internetverbinding aan de praat te krijgen, heb ik dringend behoefte aan een glas wijn. In de lange rij voor de kassa, waar ik niet de enige alcohol-zoekende blijk, sta ik wat schaapachtig om mij heen te grijnzen. De man achter mij in de rij moet daardoor twee keer zeggen (roepen) hoe blij hij is dat er nog lachende vrouwen op de wereld bestaan. Ik kan in de gauwigheid geen betere reactie bedenken dan nog maar eens mijn mondhoeken omhoog te trekken.

Bij de kassa doe ik netjes het verplichte nummertje: ‘Hoi, hoe gaat het?’ ‘Goed, met jou?’ ‘Goed. Hoe was je weekend?’ ‘Goed.’ Ik antwoord zoals er van mij verwacht wordt: kort, bondig en onpersoonlijk, en voel mij een goed aangepaste buitenlander. Pas nadat de kassabediende mij nog drie vragen heeft gesteld, die ik stuk voor stuk kort, bondig en onpersoonlijk beantwoord, kijk ik de beste man eens goed aan en besef dat hij daadwerkelijk geïnteresseerd is in een gesprek. Tien minuten later weet ik dat Nick uit Griekenland komt, inmiddels al lange tijd deze corner store in Chicago runt, waar hij ook voor zijn 92-jarige tante zorgt, die oorspronkelijk Nederlandse is.

Ook kom ik erachter dat ik een corner store-record heb gevestigd door de derde ‘white girl’ te zijn die deze week de winkel binnenloopt, en krijg ik een gratis paar handschoenen. Of deze twee gebeurtenissen met elkaar in verband staan is me niet geheel duidelijk.

Een miljoenenstad als Chicago draagt haar eigen wetten met zich mee. Zo is het hier blijkbaar dichtbevolkt genoeg om te doen alsof er geen andere mensen bestaan. Neem de metro. Als er weer eens iemand door de coupé begint te schreeuwen dat we allemaal naar de hel gaan, doen we met z’n allen alsof er niemand is. Als er tijdens de spits wordt gevraagd om allemaal even door te schuiven, zodat iedereen naar binnen kan, doen we met z’n allen alsof we niks horen. Als de ene passagier bij de ander op schoot valt omdat de trein plotseling stopt, doen we met z’n allen alsof er niets gebeurd is. Dat is in zekere zin logisch; als je hier aan elk voorval aandacht besteedt, dan ben je morgenochtend nog niet thuis, maar aan de andere kant toont het duidelijk hoe individualistisch we met z’n allen zijn geworden.

Naast de mogelijkheid om haar als anoniem individu te doorkruisen, biedt een grote stad ook houvast. Het gevoel je ongezien door een wirwar van mensen te begeven kan heerlijk en bevrijdend zijn, maar soms ook ronduit vervreemdend. We hebben de ander tegenwoordig niet zo veel meer nodig als voorheen. Wanneer we de weg kwijt zijn, vragen we Siri in plaats van Rita of John naar de route. Voor het kopen van een pakje kauwgum bij Walgreens heb ik louter vingers nodig om het touchscreen te bedienen; stembanden zijn niet noodzakelijk. Vaak vind ik dat prima, maar er zijn dagen waarop ik wakker word met een vervreemd gevoel, en iets nodig heb om in contact met de buitenwereld te staan. Vaak kan het luisteren naar muziek of het kijken naar kunst daarbij helpen, maar soms zorgen zij juist voor nog meer coconvorming.

Op zulke momenten kan de stad helpen om de verbinding met de omgeving terug te vinden. Als je er ten minste voor open staat. Het is gemakkelijk om met oogkleppen de straten te doorkruisen en afzondering in stand te houden; moeilijker is het de sympathieke gebaren te herkennen. Aanvankelijk dacht ik dat het aan de stad lag dat contact onmogelijk was. Ik was immers een welopgevoede Nederlandse die nog oog voor haar omgeving heeft, die vriendelijk glimlacht naar iemand op straat, en die een compliment geeft over de leuke trui van de kassamedewerkster. Maar, toen Nick mij aansprak en ik drie vragen nodig had om mijn automatische piloot los te laten, besefte ik dat het tot nu toe altijd op mijn voorwaarden was gegaan, dat ik het was die het contact initieerde. In mijn poging om sympathiek te zijn was ik louter actief te werk gegaan en had ik geen oog meer voor de spontaniteit van de ander. In het geval van vervreemding is er echter ook een passieve opstelling nodig – een open houding die plaats maakt voor het toevallige, waarin alles kan gebeuren. Pas als de uitwisseling van een blik met een vreemde geen gevende eenmansactie is, maar een wederzijdse gebeurtenis waarin je openstaat om iets te ontvangen, kan de vriendelijkheid van juist een onbekende binnen de anonimiteit van een metropool helpen om het gevoel van vervreemding kwijt te raken. Daarvoor moet je die ander dus wel eerst erkennen.

Zelf schrok ik er nogal van hoezeer ik onbewust bleek deel te nemen aan de ik-houd-me-met-mijn-eigen-zaken-bezig-samenleving, toen ik niet eens meer herkende dat iemand een gesprek met me wilde voeren. Ik was er van overtuigd dat ik heus open en aanspreekbaar overkwam, maar vergat dat ontvangen een vorm van stille opmerkzaamheid veronderstelt. Inmiddels kom ik wekelijks bij Nick voor water, wijn of wc-papier. De ene keer schuift hij een miniflesje cognac of whiskey onder de toonbank door, de andere keer pakt hij zijn iPhone om me foto’s van zijn tante te laten zien. En ik vind het gezellig. Ons gesprek eindigde met het inmiddels gebruikelijke: ‘Be careful.’ Wat dat precies inhoudt is me nog steeds niet helemaal duidelijk, maar ik vermoed iets als: niet zo laat op zondagavond naar de corner store lopen om wijn te kopen.

Mirjam Eeken (1989) studeerde musicaltheater en filosofie. Dit najaar verblijft ze in de Verenigde Staten om te studeren aan de University of Chicago en haar masterscriptie te schrijven. De komende drie maanden verslaat ze voor ons haar gedachtes, ontmoetingen en verwonderingen vanaf de overkant van de Atlantische Oceaan.

Advertenties