De reizende filosofe #6 – De mogelijkheid van de danser

Door: Mirjam Eeken

In alle opzichten leek ze op haar. Van het korte haar, de ouderdomsvlekjes en het magere, maar sterke lijf waar de kleren als wijde, donkere lappen omheen vallen, tot de zekere tred, de schampere lach vol ironie en de rustige, zelfverzekerde uitstraling zoals je die vaker ziet bij oude mensen. Toch had ik de link niet meteen gelegd.

Als het licht in de zaal uitgaat en de dansers zich in rechte lijnen over het toneel verplaatsen, komt een geur me tegemoet. In de stilte van het donker word ik omhuld door een combinatie van musk en tabak. Niet de tabak van een roker die verzuimd heeft om zijn kleren te wassen; het is een warme, zoete geur die doet denken aan ouderwetse sigaretten in een zilveren blikje. Ik adem de warme lucht in en als een schok realiseer ik me dat ik naast mijn oma zit.

Het is alweer bijna vijf jaar geleden dat ze overleed. Mijn oma, die altijd heeft volgehouden geen roker te zijn, maar ondertussen het toilet vol pafte tot het blauw stond, en dan ook nog vergat een raampje open te zetten. Ze duikt wel vaker in mijn Amsterdamse leven op, door gebouwen of door accenten die me aan haar herinneren, maar in Chicago was ik haar nog niet tegengekomen.

De voorstelling kan me het eerste uur weinig interesseren. De choreografieën zijn cliché, weinig experimenteel en soms zelfs ronduit saai. Ik probeer mijn ogen open te houden, maar in de donkere, warme ruimte, met nog steeds de tabaksgeur in mijn neus, is het moeilijk om niet weg te dromen. Ik voel me schuldig tegenover de dansers, die hier recht voor me hun benen uit hun lijf staan te dansen, terwijl ik een beetje loop te mijmeren over mijn dode oma.

Wanneer ik de hoop op een goede afloop al zo’n beetje opgegeven heb en ik er vrede mee sluit dat ik een klein dutje ga doen tot het einde van de voorstelling, begint de vierde en laatste choreografie. Binnen een paar seconden drijf ik weg van tijd en plaats, en is mijn aandacht alleen nog gericht op de zachtheid die zich voor me afspeelt. Het toneel wordt vanaf de achterzijde verlicht door kleine, flikkerende lampjes, terwijl één danser iets doet wat eerder op zweven dan op lopen lijkt.

Vaak wordt gedacht dat mensen die in het theater werken vooral belust zijn op aandacht en gezien worden. Nu zal daar vast een kern van waarheid in zitten, want iemand die liever op de achtergrond blijft gaat niet voor z’n lol voor 1000 man publiek staan met 30 lampen op zich gericht. Desondanks zal degene die het alleen daarvoor doet het in dans niet maken. Het is te veel werk, te veel trainen in pijn en wanhoop, zonder een oog van het publiek dat je bevestigt op de momenten dat je het het hardst nodig hebt.

In het donker van de voorstelling vraag ik me af: wat is er aan de hand met deze choreografie? Waarom raakte zij mij wel en de rest niet? Het is de connectie, schiet er door me heen. De connectie van de danser met zichzelf, het totale begrip van de beweging, die daardoor met hem lijkt samen te vallen. Zoals in veel gevallen is ook hier het ongeziene werk, in plaats van het hoogste been of de beste pirouette, dat doet raken. Je ziet het direct, wanneer het de danser lukt om dit moment van samenvallen te bereiken en het publiek met ingehouden adem te laten kijken. Op dat ogenblik is alles hier en nu, zonder een verleden of toekomst, zonder een idee waar alles heen gaat. Op dat ogenblik van de connectie tussen beweging, lichaam en geest ontstaat een open plek, waarin gebeurt. In plaats van de gekende werkelijkheid te herhalen wordt binnen de ontstane open plek iets gecreëerd wat niet van tevoren bekend was, en wat zich pas kan vormen wanneer de danser zich openstelt voor de connectie.

Daar, in de laatste choreografie, vind ik de echte danser, die niet alleen zoekt naar de perfecte pirouette, maar ook naar het moment van connectie, van balans en van het samenvallen met het zelf. En het mooie daaraan is: meestal lukt het niet. Hoe hard hij ook probeert, de meeste dagen zal hij niet in staat zijn om dit moment te creëren. Dat is wat het dansen zo puur en hard maakt, en waarom het des te mooier is wanneer het wel ontstaat. Het toont ons dat wilskracht niet alles is, dat zelfs de beste danser ter wereld geen complete controle en beheersing over zijn lichaam heeft, en dat het daar ook niet om gaat. Het draait om het eeuwige zoeken, waarbij hij de ene dag valt, en wij hem laten vallen, terwijl hij de andere dag zweeft, en wij hem laten zweven.

Net als geur is beweging iets puurs.  De danser die erin slaagt om mij als kijker onderdeel van het geheel te maken laat verleden, heden en toekomst even links liggen, en opent een wereld van verbeelding en mogelijkheid waarvan ik in het donker onderdeel word. Als het stuk is afgelopen en ik naar links kijk, zie ik dat mijn oma vertrokken is. Ik heb niet eens geroken dat ze wegging.

Mirjam Eeken (1989) studeerde musicaltheater en filosofie. Dit najaar verblijft ze in de Verenigde Staten om te studeren aan de University of Chicago en haar masterscriptie te schrijven. De komende drie maanden verslaat ze voor ons haar gedachtes, ontmoetingen en verwonderingen vanaf de overkant van de Atlantische Oceaan.

Advertenties